Shit Happens (XXI)


Aflevering 21 van mijn blog over een zoektocht naar herstel zoals ik dit heb ervaren in 2004/2005

Moedig Voorwaarts!


Nu ik een dag of wat heb doorgebracht in de kliniek, valt het me op dat ik weinig trek heb in alcohol. Of beter gezegd ik heb geen zin om tegen de regels in te gaan en toch te gaan drinken.  Op zich zou dat niet zo moeilijk zijn. Ik kan zo naar buiten lopen, de Albert Heijn is om de hoek en er is weinig contact met de medewerkers in de kliniek die het op zouden kunnen merken. Zeker niet ’s middags na een uur of drie. Als ik nu en dan beneden in de hal ben, in buurt van de ingang, merk ik trouwens dat daar behoorlijk gehandeld wordt in het één en ander, zo te zien cannabis. Ruim in het zicht van de portier die daar geen enkele aandacht aan schenkt. Kennelijk wordt dat het hier gedoogd. Ik voel me wel erg onzeker en onwerkelijk. Door de medicatie voelt het allemaal wat wollig in mijn hoofd en van tijd tot tijd blijf ik kleine schokjes en lichtflitsen ervaren. Dit baart me wel steeds meer zorgen. Als ik het aan de verpleging vertel bij het ophalen van mijn medicatie, besteden ze hier geen aandacht aan.  



Vandaag begin ik samen met de arts in opleiding, de Afghaan van het OLVG die ik al eerder ontmoet heb, aan het invullen van mijn levensloop, vanaf mijn geboorte tot nu. Een leuke oefening voor twee heren van zeer verschillende afkomst. Het invullen hiervan zal uiteindelijk twee sessies van anderhalf uur beslaan. Alleen God weet wat ze er verder mee hebben gedaan, er is nooit iemand op terug gekomen. Het hoort vast bij de standaardprocedure. Voor nu is het een leuk en onderhoudend gesprek. Mijn gesprekspartner schrijft nog geen goed Nederlands en is ook nog eens dyslectisch, zo vertelt hij mij. Omdat het nu vandaag over mijn eerste levensjaren gaat, geef ik hem vooral uitleg over het gereformeerde milieu waarin ik in Friesland ben opgegroeid. Bij ons thuis waren we dan wel niet gereformeerd maar Hervormd, wel conformeerden we ons aan de dagelijkse mores van de gelovigen om ons heen. Bijzonder was dat toen ik hem dit zo vertelde, hij ook meteen de parallellen zag tussen het hedendaagse regime van de Islam en ons geloof van destijds, nu bijna veertig jaar geleden, toen mijn moeder ook nog met een hoofdbedekking over straat ging. Je met los lang haar op straat vertonen, was onzedelijk in het Friesland van begin jaren zestig. 

Ik merk tijdens dit gesprek dat ik me eindelijk eens een beetje op mijn gemak voel. Het is een tweegesprek dat niet alleen over mij gaat. Hij vertelt ook dingen over zijn eigen leven en achtergrond. Zo ontstaat er iets van een vertrouwensrelatie wat me een beetje houvast geeft. Veel vaker maak ik hier mee dat mijn gesprekspartner, een verpleger, psycholoog of andere medewerker amorf, onbewogen en op afstand blijft. Ik praat dan als het ware in het luchtledige en krijg geen bevestiging. Dat maakt me ook angstig, alsof ik dan niet meer bij de echte wereld, de echte mensen hoor. Dat gevoel, merk ik, wordt met de dag sterker. 


Tijdens de lunch zorgt de groep daklozen voor veel onrust als ze op hun zak brood en beleg moeten wachten. Om de minuut vragen ze of het al klaar is. Ondertussen lopen ze onrustig heen en weer door de kantine. Weer niemand die hierop reageert, behalve de bediening die ze nog wat langer laat wachten. Geef toch mee denk ik, duidelijk is dat het al lang ergens klaar staat maar nee hoor ze moeten hun plaats weten en wachten. 


Die middag heb ik gelukkig weer wat te doen. Vanwege de sneeuw gaat de hardlooptherapie groep in het Oosterpark niet door maar krijgen we in de plaats daarvan wel Yoga therapie. Alle activiteiten die je hier als patiënt onderneemt, krijgen de toevoeging therapie, heb ik al snel begrepen. Vanwege wat matige ervaringen met zwangerschapsyoga samen met Heleen maak ik mij op voorhand wat zorgen. Deze lessen, toen erg zweverig, werkten erg op onze lachspieren. Ik ben, dat moet ik toegeven, tamelijk allergisch voor al het zweverige en spirituele, alternatieve gedoe.  Onze lerares hier, dat moet ik zeggen, ziet er wel echt “Yoga” uit. Met haar zwarte haarband heeft ze een oosterse uitstraling. Ze is bovendien aardig en direct en vooral niet zweverig. Vooraf besluit ik haar toch maar even in te lichten over mijn vooroordelen. Als ik mij onverhoopt uit de voeten maak, weet ze wat er aan de hand is. Gelukkig blijkt het allemaal erg mee te vallen. Het is een prima les en het doet mijn lichaam merkbaar goed. Na een uur is het afgelopen en gaat iedereen weer zijns weegs. Dit keer was er zowaar één patiënt van mijn afdeling present. Hierna ga ik terug naar mijn afdeling om de tijd te doden met lezen, schrijven, wat tekenen, koffiedrinken en eten. Ik moet mezelf bezighouden vind ik. Ik begrijp trouwens niet waar die drang vandaan komt. Thuis heb ik daar al lange tijd geen last meer van en kan ik uren te bed liggen en helemaal tot niets komen. Wonderlijk hoe zo’n verandering van omgeving werkt. 


Die avond begin ik ook langzamerhand wat meer contact te krijgen met mijn kamergenoot Nico. Dat gaat in het begin via de muziek die hij ´s avonds beluistert. Als ik hiervoor interesse toon, ontstaan er nu en dan korte gesprekjes. Hij heeft een sterke voorkeur voor Amerikaanse muziek uit de jaren 50- 60. Ik herken er veel van en kan er vaak ook wat bij vertellen of favoriete nummers opnoemen waardoor hij blij verrast is. Hij ligt op zijn bed en luistert, ondertussen lees, schrijf en teken ik wat. Best gezellig hebben we het zo tot een uur of elf. Het dood de tijd voor ons beiden, zo merk ik.  


Als ik de ochtend daarna wakker wordt en mijn eerste kopje koffie haal in de rookkamer valt het mij op dat er geen tv meer is. Jammer voor de vaste schare tv-kijkers maar gelukkig is er nu voor de komende tijd een onderwerp van gesprek: Twee veel gestelde vragen zijn nu: “Hoe komt het dat er geen tv meer is?”  Meestal gevolgd door de belangrijker vervolgvraag: “Wanneer komt er een nieuwe?” Eindelijk iets van een dialoog tussen de patiënten onderling. Navraag leert dat Soraya, een mede-patiënte die ik heb leren kennen als een licht ontvlambaar opgewonden standje gekleed in afzakbroek, naveltruitje en piercing donderdagavond laat in een kwaaie bui de tv van de muur heeft getrokken. Ze schijnt dit gedaan te hebben terwijl er nog een aantal mensen zat te kijken. Daarna had ze hem op de grond kapot gegooid. Het verhaal vertelt verder dat de aanwezigen deze actie gewoon apathisch hebben gadegeslagen zonder wat voor reactie dan ook. Op de plek waar vroeger de tv hing staat nu een armoedige interpretatie van een gettoblaster en vanaf nu kijkt iedereen gewoon radio. Alsof er niets is veranderd. De technische of onderhoudsmedewerker komt nog wel even vertellen dat we pas over een week of twee een nieuwe zullen krijgen. Want een nieuwe televisie installeren, is zo gemakkelijk nog niet. Zo´n apparaat moet worden ingesteld, neergezet, en natuurlijk ook nog gekocht. Je moet het maar verzinnen.  Soraya heb ik hierna niet meer gezien. Zou ze in de isoleercel zitten?  Niemand weet het, niemand interesseert het. 


Wat me na een aantal dagen opvalt is dat het verzorgend personeel erg op afstand blijft. Hun kantoor bevindt zich in het centraal gelegen gedeelte op de etage, maar de deur van dit vertrek zit meestal potdicht. En als je aanklopt doen ze botweg niet open. Kennelijk kan je er alleen op gezette tijden terecht om medicatie op te halen. Dat wordt mij niet echt duidelijk maar ik dring ook niet aan. Ik probeer me aan te passen aan de dagelijkse mores hier.  Ik zie de verzorging ook bijna nooit op de etage rondlopen. Wel pikken ze er nu en dan iemand uit waarmee ze dan in een apart kamertje een gesprek hebben. Toen ik hiervoor eens aan de beurt was, excuseerde de verzorgster zich vooraf en vertelde ze dat ze van de staf geen therapeutische gesprekken met de patiënten mocht hebben. Wat volgde was een plichtmatig gesprek over koetjes en kafjes. Het lijkt op een soort surplace tussen het personeel en de patiënten. Het is alsof iedereen opgegeven is, op gezette tijden de medicijnen erin en klaar. Ik heb niet het idee dat de patiënten, als ze dat willen, hier hun verhaal kwijt kunnen. Ook worden ze niet gestimuleerd tot deelname aan activiteiten of therapie. Wat de verzorgers in godsnaam doen op dat kantoor, waar ze zich meestal met z´n drieën of vieren ophouden, is mij een raadsel. Ik zie dat er veel en vaak in de computer gekeken wordt en er ook regelmatig een soort van overleg gaande is zo lijkt het. Waarover mag Joost weten want er gebeurt hier weinig op een doorsnee dag. Nou ja behalve een tv die gesloopt wordt dan. De patiënten, bij elkaar zo’n twintig in getal, die ik hier zie rondlopen lijken opgegeven, onbehandelbaar. 


Zo maakte ik eens mee dat Marijke, de obese patiënte met één been op het invalidentoilet lag te jammeren, met de deur open. Ik had al wel begrepen dat zij altijd hierbij geholpen moest worden. Door haar omvang was het voor haar armen onmogelijk geworden om nog haar billen te bereiken, laat staan deze op een propere manier af te vegen. Om haar gejammer te doen stoppen, heb ik één van de verzorgsters erbij geroepen maar deze verdomde het om te komen, haar te helpen. Ze moest zichzelf maar redden. Ik voelde me bezwaard maar heb het gelaten voor wat het was. ´t Zou voor Marijke nog meer vernederend zijn als ik haar zou gaan helpen. Alleen al bij het idee huiver ik nu nog.  


Zelf heb ik eens, onbedoeld en ongewild een conflictje met een van de verzorgers. Ik was een middag op mijn kamer aan het tekenen geslagen, met pastelkrijt. Op een gegeven moment had ik daarbij een gummetje nodig om wat veegwerk te doen (dat moet soms met pastel). Ik ging naar het kantoor om dit te vragen en het mocht, als ze hem maar terugkreeg. Geen probleem. Toen ik na verloop van tijd dit gummetje terug wilde brengen, zag ik dat de kantoordeur nu eens openstond en liep een paar passen naar binnen om dit kleinood weer terug te geven. Dit was genoeg voor het veroorzaken van een echte paniekaanval bij deze nog jonge medewerkster.” Meneer! Meneer! U mag hier niet zomaar het kantoor binnenlopen, meneer! Patiënten mogen dat niet.” Ik haalde mijn schouders op en keek haar onbegrijpend aan, was ik zo dreigend en onberekenbaar? Ze zag toch wat ik aan het doen was? Los van dat was ze ook niet alleen in deze ruimte.  


Ik begin me meer en meer een gevaarlijke gek te voelen, een geval. Ik moet mezelf blijven voorhouden dat ik hier met een reden ben. Thuis hebben ze rust nodig, hier kan ik voorlopig nuchter blijven, heb ik onderdak en word ik veel minder verleid tot ongecontroleerde en impulsieve daden. Ik houd ook een stellige hoop dat de artsen en psychologen hier mij kunnen helpen met het zoeken naar een oplossing van mijn verslavingsprobleem.  


(Wordt vervolgd)

20 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven