Shit Happens! (XVI)


Een wekelijkse blog over een zoektocht naar herstel zoals ik deze heb ervaren in 2004/2005, deze week aflevering XVI


Naar de crisisdienst.


Ook al hebben we besloten uit elkaar te gaan, Heleen blijft toch bezorgd over wat er daarna met me zal gebeuren. Het gaat nog altijd bergafwaarts met me. Ik heb wel mijn heldere en positieve momenten maar deze worden telkens spaarzamer. Ik weet dat ik in een spiraal naar beneden zit maar het dieptepunt komt maar niet in zicht. Mijn leven is een zichzelf versterkende nachtmerrie geworden waarin ik ben opgesloten. Een uitweg is er niet. Ik leef hoe langer hoe meer met het idee dat mijn leven enkel en alleen voor mij in scene wordt gezet. Mijn omgeving is slechts het decor en de mensen om mij heen spelen daarin hun rol. Ik moet deze beproeving zien te doorstaan. Als ik voor de “gemakkelijkste” oplossing kies, uit het leven stappen, zal ik weer worden teruggezet als ware het “Groundhog Day” en begint alles weer van voren af aan.  De waanideeën nemen toe, ik vergeet zaken en wordt met de dag roekelozer, bozer en onberekenbaarder.  


Foto Ballet van Frankfurt

Heleen belt tegen beter weten in nog eens met de Jellinek om te informeren of er nog een ander, beter of intensiever vervolgtraject is. Nee blijft het antwoord; de eerder geboden nazorg is het enige dat ze hebben te bieden of in het uiterste geval een herhaling van het detox programma. We weten allebei dat dit een zinloos traject zal zijn en melden ons ten einde raad weer bij onze huisarts. Al snel komen we met hem tot de conclusie dat er nog maar één mogelijkheid open staat voor ons, de psychiatrie. Ik ben al zo ver heen dat ik er niet meer van schrik. In godsnaam dan maar denk ik, slechter kan het niet worden en wie weet hebben zij toch betere en andere inzichten dan de Jellinek. Het is het proberen waard. Heleen geeft aan dat het wel snel moet gebeuren. Geëmotioneerd vertelt ze dat ze op dit moment niet meer voor mijn daden kan instaan. Ze heeft gelijk, ik ben tot alles in staat en op sommige momenten ben ik echt al mijn remmingen kwijt. Uiteindelijk besluiten we dat ik me, gewapend met een verwijsbrief zal melden bij de crisisopvang van AMC de Meren, zoals het voormalige RIAGG in Amsterdam nu blijkt te heten. De assistente van onze huisarts maakt meteen voor die middag een afspraak voor ons. Het voelt als een volgende dreun die ik nu incasseer. Eerder heb ik al toegegeven dat ik een alcoholist ben, nu heb ik de status van psychiatrisch patiënt bereikt. Dat allemaal in een korte tijdspanne. 


Na de lunch vertrekken we richting de crisisopvang. We zijn beiden benieuwd naar wat ons daar te wachten staat. Op dit moment vind ik alles goed, als ik maar weg ben uit huis. De opvang is vlak bij ons in de buurt dus we lopen door ons stadspark Frankendael ernaartoe.  Voor het goede gevoel heb ik me op de valreep nog moed ingedronken. Wie weet kan dat ons nogmaals helpen zoals eerder bij de intake van de Jellinek, ik ben een snelle leerling.  We melden ons bij de receptie en mogen plaatsnemen in een claustrofobisch makend halletje waar we uitkijken op een lange gang waar een driftig heen en weer verkeer is van medewerkers. Het is vast en zeker personeel, want iedereen heeft een map onder de arm en kijkt zorgelijk maar ook zelfverzekerd. Gelachen wordt er in ieder geval niet. Gek of gestoord zijn is een serieuze zaak. Er is een onophoudelijk menselijk verkeer tussen kantoordeur, koffieautomaat, wc, en kopieerapparaat. Het patroon begint me te intrigeren. Wat voor diepere betekenis schuilt hierachter? Waarom lopen ze zoveel in en uit? Het lijkt een soort van repetitieve moderne dansvoorstelling van William Forsythe, choreograaf van het ballet van Frankfurt, met duidelijke verwijzingen naar de John Lanting kluchten.  Ook de telefoon bij de receptie rinkelt onophoudelijk. Het is hier duidelijk echt crisis! We zijn op de goede plek. 


Na ongeveer drie kwartier komt er gelukkig iemand om ons het vertellen dat er nog later iemand zal komen. Bemoedigend denk ik, ze weten kennelijk nog van ons crisisbestaan. Door al dit gedoe begin ik ook weer wat manische trekjes te vertonen en zit ik in mijn hoofd deze hele dienst alweer te beoordelen en te reorganiseren. Uiteindelijk worden we na meer dan een uur toch opgehaald voor ons gesprek. We krijgen twee mensen te spreken, een arts, en eentje die nog in opleiding is. Het is een combinatie die in het vervolg veel vaker zal voorkomen.  Met zoveel mensen in opleiding om je heen voel je jezelf een proefkonijn. Wij doen ons verhaal en vooral Heleen stelt de ernst van de situatie uitgebreid aan de orde. We krijgen tot onze verbazing totaal geen reactie. Na ons verhaal aangehoord te hebben, vertrekt het duo zwijgend. Dit om te overleggen, dat vertellen ze ons net nog wel. Dan eindelijk, na ons een minuut of twintig in spanning te hebben gehouden, komen ze weer binnen. De arts in opleiding mag de boodschap brengen.

Hij zegt bijna triomfantelijk: “We kunnen meneer niet opnemen want er is geen psychiatrisch dossier van hem.” Het blijft even doodstil maar dan zegt Heleen wanhopig: “Hoe komen we daar dan aan? Moeten we dat zelf gaan schrijven of moet onze huisarts dat doen?”  “Nee”, zegt hij, “In meneer zijn medische historie hebben wij niet eerder klachten van deze aard aangetroffen.”   “Nou en! ”Zegt Heleen, “Hij is misschien wel acuut gek geworden, of komt dat niet voor?” “Of moet hij eerst een paar keer door de politie worden opgepakt? ’Zeg het maar dan regelen we dat wel.” 


Weer verlaten ze nu zwijgend de kamer voor overleg. Maar na een minuut of tien zijn ze er weer, en ja, waarachtig hebben ze een nieuwe vraag bedacht. Of ik vandaag nog gedronken heb, is de vraag nu. “Ja”, antwoord ik nu hoopvol, “best wel maar ik niet dronken of zo.” Zonder dat ik het me besef heb ik ze nu hun uitvlucht in de schoot geworpen. “Als u gedronken heeft, mogen we u niet opnemen. U moet eerst drie dagen nuchter zijn voor we daarover een beslissing kunnen nemen.” Antwoordt de echte arts nu.  


Het is ons duidelijk, ze hebben ons te pakken. Ze zien toch kans me te lozen. Heleen dringt nog even aan maar heeft ook snel door dat het kansloos is. “Goed”, besluit ze dan opeens kordaat, “Dan neem ik hem weer mee en maken we voor aanstaande maandagochtend een nieuwe afspraak”. Nu staan zij voor het blok en kunnen hier geen nee op zeggen. We maken de afspraak voor de volgende maandag om tien uur. “Zorg wel dat u dan niet gedronken hebt”, voegt de arts nog ten overvloede toe. Echt niet, denk ik, ik zal jullie krijgen. Het is een vreemd verschijnsel, heel mijn omgeving, daar ben ik wel van overtuigd, denkt nu dat ik echt dringend hulp nodig heb, maar hier houden ze nadrukkelijk de boot af. Het is alsof ze een punt willen maken, alsof ze willen zeggen “U kunt dat nu wel denken, maar wij hebben ervoor doorgeleerd, wij bepalen dat.”  Het voelt het voor mij alsof ik naar de eerste hulp ben gebracht met een gebroken been en de behandelende arts me weg stuurt met de mededeling: “Ik geloof er niks van, kom over een week maar eens terug, en dan kijken we of het nog steeds gebroken is.”  


Als we teruglopen zegt Heleen dat ze me het weekend niet thuis wil hebben. Ze wil een paar dagen rust in de tent. Ik begrijp het, ik had waarachtig ook op meer gehoopt vandaag. Ik stel voor om dan maar voor het weekend naar mijn familie in Friesland te gaan, mijn zus, mijn moeder of mijn broer. “Hoe dan?” Vraagt ze. “Denk maar niet dat je in jouw toestand de auto meekrijgt. En na drie uur in de trein zie ik je daar ook niet heelhuids aankomen!” Ze heeft alweer gelijk. Thuisgekomen vind ik twee vrienden uit de buurt bereid me te brengen. Doordat we vaak bij elkaar over de vloer komen, hebben ze mijn teloorgang goed kunnen volgen. We zijn ook vaak samen schandelijk doorgezakt. Het is bijzonder, ik heb in dit stadium niets aan hen, en zij vinden mij knotsgek maar toch blijft onze verstandhouding goed. Ik voel dat ze met mijn lot begaan zijn en ze maken gelukkig niet de fout om te oordelen. Ze laten me, dat maakt ook dat ik me bij hen op mijn gemak voel.


(wordt vervolgd)

19 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven